Overslaan en naar de inhoud gaan
Logo Staat van Utrecht; naar homepagina van Staat van Utrecht

Upper menu

  • Zoeken
  • Default
  • Hoog contrast
Hoofdnavigatie
  • Home
  • Thema's
  • Databank
  • Specials
  • Brede Welvaart
  • Over Staat van Utrecht
  • Zoeken
  • Default
  • Hoog contrast

Kruimelpad

  1. Home
  2. Thema's
  3. Bevolking
  4. Bevolkingssamenstelling

Bevolkingssamenstelling

Huwelijken tussen echtparen van gelijk geslacht  

 Op 1 april 2026 was het 25 jaar geleden dat het eerste homohuwelijk in Nederland werd gesloten. Sindsdien zijn landelijk ruim 36.000 huwelijken gesloten tussen partners van hetzelfde geslacht. Iets meer dan de helft hiervan betreft vrouwenparen. Begin 2026 telde Nederland 25.000 echtparen van gelijk geslacht, waarvan bijna 12.000 mannenparen en 13.000 vrouwenparen. Hiervan zijn 600 mannenparen en 500 vrouwenparen in 2001 getrouwd.  

 Jaarlijks trouwen meer vrouwen dan mannen met iemand van hetzelfde geslacht. In de afgelopen vijf jaar werden jaarlijks gemiddeld 900 huwelijken tussen twee vrouwen gesloten en 750 huwelijken tussen twee mannen.  Daarnaast zijn er verschillen zichtbaar in leeftijd. Mannenparen zijn meestal ouder als ze trouwen dan vrouwenparen. In 2025 waren mannen die met een andere man trouwden gemiddeld 41 jaar, bij vrouwenparen en man-vrouwparen was dat 37 jaar. 

 Huwelijken tussen twee vrouwen houden vaak minder lang stand dan huwelijken tussen twee mannen of tussen een man en een vrouw. Van de vrouwen die in 2015 met een andere vrouw trouwden, was 24% op 1 januari 2025 gescheiden. Dat is bijna twee keer zoveel als bij mannenparen (13%) en man-vrouwparen (ook 13%). 

 In stedelijk gebied wonen naar verhouding meer gehuwden van gelijk geslacht. In Amsterdam wonen, met 44 per duizend, de meeste gehuwden van gelijk geslacht, gevolgd door Nijmegen (35 per duizend) en Groningen (29 per duizend). In minder stedelijke gemeenten wonen de minste gehuwden van gelijk geslacht, vooral in de Biblebelt. In Urk en Woudenberg gaat het om minder dan 1 per duizend gehuwden. Dit landelijke patroon is ook zichtbaar in de provincie Utrecht. In stedelijke gemeenten ligt het aandeel gehuwden met een partner van gelijk geslacht relatief hoger. De gemeente Utrecht telt in 2026 23,6 gehuwden van gelijk geslacht per duizend gehuwden. Ook in de gemeenten Amersfoort (20,3), De Bilt (20,2) en Zeist (19,6) ligt dit aandeel relatief hoog. In meer landelijk gelegen gemeenten, zoals Woudenberg (0,6) en Montfoort (3,8), ligt dit aandeel aanzienlijk lager.

 

Geplaatst: juni, 2026

Minder geboorten en langer leven zorgen tezamen voor vergrijzing 

De toenemende levensverwachting in combinatie met het feit dat er sinds de jaren zeventig relatief minder kinderen worden geboren, zorgt voor vergrijzing in de samenleving. De verhouding tussen het aandeel jongeren en ouderen is daarmee drastisch komen te veranderen. In 1950 kon er nog gesproken worden over een bevolkingspiramide en waren er veel meer (jonge) kinderen dan 50-plussers. In de verwachte bevolkingsopbouw van 2050 zien we meer een bolvormig-model: aan de basis zijn minder kinderen en jeugdigen dan in de middengroep van 25- tot 65-jarigen. Het aantal en aandeel 66 -100 jarigen is vervolgens veel groter dan 100 jaar eerder. Kalenderjaar 2025 kan als een mijlpaaljaar worden gezien; voor het eerst wonen er meer 65-plussers in Nederland dan jongeren tot 20 jaar. 

Vergrijzing uitgedrukt in grijze druk 

De verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar of ouder ten opzichte van personen in de zogenaamde ‘productieve leeftijdsgroep’ van 20 tot 65 jaar, wordt grijze druk genoemd. In 2025 is de grijze druk in heel Nederland gemiddeld 35,5%. Dit aandeel gaat de komende decennia flink oplopen, naar 48,6% in 2070. Iedere gemeente of regio heeft zijn eigen verhouding in de mate waarin er jongeren en ouderen wonen.  Momenteel geldt binnen de provincie Utrecht dat de grijze druk in de gemeenten Utrechtse Heuvelrug (49,1%), De Bilt (47,7%) en Baarn (47,5%) het hoogst is en in de gemeenten Utrecht (16,2%), Amersfoort (27,6%) en Renswoude (30,2%) het laagst. Gemiddeld is de grijze druk in de provincie Utrecht 31,0%.  

 

Dubbele vergrijzing 

Naast ‘gewone’ vergrijzing wordt er door demografen ook gesproken over dubbele vergrijzing. Hierbij gaat het om de stapeling van twee typen vergrijzing. Er komen meer ‘jongere ouderen’, grofweg in de leeftijd van 65-80 jaar (derde levensfase). Daarnaast neemt de levensverwachting in de groep 80-plussers steeds verder toe (vierde levensfase). De indeling naar beide typen groei is vooral ook van belang voor het maken van inschattingen rond zorgbehoeften; gemiddeld genomen is de groep 65-80 jarigen redzamer dan de groep 80-plussers. Doordat deze laatste groep relatief sterk toeneemt, zullen er grote mantelzorgtekorten ontstaan. Begin 2025 was in heel Nederland 15,6% van de inwoners tussen de 65 en 80 jaar oud en 5,2% was 80 jaar of ouder. In 1950 was 6,7% van de inwoners tussen de 65 en 80 jaar oud en 1% 80 jaar of ouder.  

Immigratie houdt vergrijzing niet tegen 

De vergrijzing heeft uiteraard consequenties voor de economie en sociale zekerheid. Een vaker gehoorde redenering is dat een sterke immigratie het vergrijzingsproces zal kunnen afremmen of tegengaan. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 is hier echter heel stellig over: immigratie als antwoord op de bevolkingsvergrijzing is niet mogelijk. Sterker nog, het zou onverstandig zijn om te proberen de bevolking van een land op kunstmatige wijze jong te houden. Migranten kunnen de vergrijzingsproblematiek op termijn zelfs versterken doordat – als ze blijven – zij ook verouderen en tot het afhankelijke deel van de bevolking gaan horen. 

Bron: Rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 | Tweede Kamer der Staten-Generaal) 

Totaal aantal huishoudens groeit, grootte huishoudens daalt 

Het aantal huishoudens zal de komende decennia in heel Nederland sterk stijgen, terwijl de grootte van de huishoudens gemiddeld afneemt. Het aantal huishoudens zal toenemen van 8,4 miljoen in 2025 naar 10 miljoen in 2070. Wat de omvang betreft zal deze gemiddeld afnemen van 2,10 personen in 2025, naar 2,02 personen in 2070. Op dit gebied zijn geen specifieke prognosecijfers voor de provincie Utrecht beschikbaar. Dat er in heel Nederland zoveel huishoudens bijkomen heeft vooral te maken met het feit dat de huishoudens gemiddeld kleiner worden en parallel daaraan de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens. Het aantal meerpersoonshuishoudens zal ook toenemen, maar minder sterk. 

Bron: Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070 | CBS) 

Eenpersoonshuishoudens groeien het sterkst 

In de toekomst zullen naar verwachting steeds meer mensen een eenpersoonshuishouden gaan vormen. Dit betekent overigens niet dat ze ook allemaal single zijn, het aantal lat-relaties neemt sterk toe (‘lat’ staat voor living apart together). Dat er meer alleen gewoond wordt, hangt vooral samen met de navolgende ontwikkelingen: 

  • Jongeren blijven vaker wat langer alleen wonen dan bijvoorbeeld vijftig jaar geleden. Ze stellen het samenwonen met een partner langer uit en leggen meer nadruk op het eerst opdoen van ervaringen en het vinden van een baan. Daarna kiezen ze eventueel voor een vaste relatie, samenwonen en kinderen krijgen. 
  • Voor mensen van middelbare leeftijd speelt relatieverbreking een rol. Scheiden komt vaker voor, paren wonen ongehuwd samen en ongehuwde samenwoners hebben een grotere kans om uit elkaar te gaan dan gehuwden. Na de relatiebreuk wonen ze vaak voor kortere of langere tijd alleen. 
  • Ouderen vormen een steeds grotere bevolkingsgroep. Door scheiding of verweduwing wonen zij relatief vaak alleen en zijn zij daarnaast vaak minder geneigd opnieuw samen te gaan wonen na het vinden van een nieuwe partner. (Bron: Toen en nu: hoe Nederland in 50 jaar veranderde | CBS) 

In 2025 is 40,1% van alle Nederlandse huishoudens een eenpersoonshuishouden, voor de provincie Utrecht is dat 39,8%. Binnen de provincie Utrecht zijn momenteel de meeste eenpersoonshuishoudens te vinden in de gemeente Utrecht (51,6%), de minste in de gemeente Bunschoten (27,3%). 

 

Kinderen in provincie Utrecht wonen relatief vaak bij beide ouders 

In 2023 maakten in Nederland bijna 43.000 minderjarige kinderen mee dat hun ouders uit elkaar gingen. Dat zijn er 3.500 meer dan in 2022. Deze toename volgt op de periode van de coronapandemie waarin minder scheidingen plaatsvonden. In 2023 maakte 1,67% van de minderjarigen een scheiding mee ten opzichte van 1,53% in 2022. Bijna een kwart van alle minderjarige kinderen (23%) woont in 2023 niet bij beide ouders gezamenlijk.  

Het CBS heeft niet gekeken naar het aantal geregistreerde scheidingen, maar naar ouders die een jaar later niet langer op hetzelfde adres woonden. Een steeds groter deel van de gescheiden ouders was voor de scheiding niet getrouwd. In 2023 had iets meer dan de helft van de kinderen (56%) van wie de ouders uit elkaar gingen getrouwde ouders, in 2003 was dat nog 73%. 

Kinderen van 2 tot en met 7 jaar krijgen relatief het vaakst te maken met een scheiding. In 2023 ging het om ongeveer 2% van alle kinderen in die leeftijdsgroep. Bij oudere kinderen ligt dit aandeel lager. Zo kreeg minder dan 1,3% van de 16- en 17-jarigen te maken met een scheiding van hun ouders. Dit beeld is de afgelopen jaren stabiel gebleven. 

In Heerlen is het aandeel thuiswonende, minderjarige kinderen dat niet bij beide ouders staat ingeschreven (39%) het grootst. Daarna volgen Rotterdam en Kerkrade (beide 35%). In Urk (6%) en Staphorst (8%) staan kinderen het minst vaak niet bij beide ouders ingeschreven. Binnen de provincie Utrecht zijn er eveneens verschillen. In Nieuwegein (22%) is het aandeel thuiswonende, minderjarige kinderen dat niet bij beide ouders staat ingeschreven het grootst, gevolgd door IJsselstein (21,2%) en Wijk bij Duurstede (19,1%). In Renswoude (11,6%) en Woudenberg (11,7%) staan kinderen het minst vaak bij één van beide ouders ingeschreven, zij wonen het vaakst bij beide juridische ouders gezamenlijk. 

 

Stabilisatie verwacht aantal geboortes per vrouw  

Kregen vrouwen in de jaren vijftig nog gemiddeld 3,1 kinderen, in 2025 is dat 1,5 kind. Het CBS verwacht dat hier na 2030 nog een lichte stijging plaatsvindt naar ruim 1,6 kind in 2070. Over de leeftijd waarop men voor het eerst moeder of vader wordt, zijn geen prognosecijfers beschikbaar. Terugkijkend is wel te zien dat de leeftijd steeds verder toenam. In 2024 zijn moeders gemiddeld 30,4 jaar bij de geboorte van hun eerste kind, vaders 32,9 jaar. In de naoorlogse decennia lag die leeftijd voor moeders veel lager, zo tussen de 24 en 26 jaar. Over de leeftijd van vaders in die tijd, zijn geen gegevens. Wel blijkt dat vaders aan het begin van deze eeuw gemiddeld iets jonger waren dan nu bij de geboorte van hun eerste kind, namelijk 32,0 jaar. 

Bron: Bevolking groeit voor derde jaar op rij minder snel | CBS) 

Tweedeling immigratiestroom naar type huishouding 

Er is sprake van een duidelijke tweedeling van de immigratiestromen waar het typen huishoudens betreft. Aan de ene kant zijn er de wat meer tijdelijke migranten, vooral arbeids- en studiemigranten. Zij emigreren relatief vaak binnen vier jaar na immigratie en vormen gedurende hun tijd in Nederland meestal een eenpersoonshuishouden. Aan de andere kant zijn er immigranten die langer in Nederland blijven, vaak als lid van een paar of gezin. Zij veranderen relatief weinig van huishoudenspositie en emigreren ook minder vaak. Dit beeld is in de loop der tijd stabiel gebleven. Voor de woningmarkt betekent dit dat niet het aantal immigranten op zich bepalend is voor de vraag naar woningen, maar de samenstelling van de migratiestroom: tijdelijke alleenwonenden zullen vooral druk uitoefenen op stedelijke kleine woningen, terwijl gezinsmigratie vooral de vraag naar grotere woningen zal vergroten. 

Bron: Immigratie vanuit een huishoudensperspectief | CBS

Geplaatst: mei 2026

Databank

In de databank vindt u onder andere de indicatoren:

  • Leeftijd (absoluut, relatief naar gemeente, relatief naar provincie)
  • Aantal 0 tot 5 jarigen
  • Aantal 6 tot 10 jarigen
  • Aantal 11 tot 15 jarigen
  • Aantal 16 tot 20 jarigen
  • Aantal 21 tot 25 jarigen
  • Aantal 26 tot 30 jarigen
  • Aantal 31 tot 35 jarigen
  • Aantal 36 tot 40 jarigen
  • Aantal 41 tot 45 jarigen
  • Aantal 46 tot 50 jarigen
  • Aantal 51 tot 55 jarigen
  • Aantal 56 tot 60 jarigen
  • Aantal 61 tot 65 jarigen
  • Aantal 66 tot 70 jarigen
  • Aantal 71 tot 75 jarigen
  • Aantal 75 plus
  • Groene druk
  • Grijze druk
  • Totale druk (groen + grijs)

Meer weten?

ww.cbs.nl

www.nidi.nl

jeugd monitor cbs

PBL. 2018. Regionale ontwikkelingen in het aantal potentiële helpers van ouderen tussen 1975 en 2040

Bevolking
Submenu Thema's
  • Bevolkingsontwikkeling
  • Bevolkingssamenstelling
  • Bevolkingsprognose
  • Bevolkingskenmerken Utrechtse gemeenten

Volg ons op